Vergoedingen voor woon-werkverkeer

Auto, fiets of openbaar vervoer: voor elk vervoermiddel gelden andere regels en vrijstellingen. Zo zit het systeem in elkaar.

Geschreven door Bart Deblock Laatst nagekeken op Bron: FOD Financiën

Woon-werkverkeer is fiscaal een wereld apart. Waar een dienstverplaatsing gewoon een terugbetaling van kosten is, geldt de tussenkomst van je werkgever in je pendel als loon — met een vrijstelling die per vervoermiddel sterk verschilt. Voor de trein is die vrijstelling onbeperkt, voor de fiets ruim, en voor de auto verrassend krap.

Wat is woon-werkverkeer?

Woon-werkverkeer is het traject tussen je woonplaats en je vaste plaats van tewerkstelling. Het onderscheid met een dienstverplaatsing — een rit in opdracht van je werkgever naar een klant of werf — is geen detail: een dienstverplaatsing mag volledig belastingvrij vergoed worden aan het kilometerforfait, woon-werkverkeer niet.

De grens tussen beide ligt bij 40 dagen per kalenderjaar. Werk je vaker dan 40 dagen op dezelfde locatie, dan beschouwt de administratie die plaats als een vaste plaats van tewerkstelling en worden die ritten woon-werkverkeer. Die dagen hoeven niet aaneen te sluiten, en je kunt meerdere vaste werkplaatsen hebben.

De vrijstellingen per vervoermiddel

VervoermiddelVrijstelling inkomstenjaar 2026
Openbaar vervoerVolledig vrijgesteld, geen plafond
Georganiseerd gemeenschappelijk vervoerTot de prijs van een treinabonnement eerste klas
Fiets en speed pedelec€0,37/km, tot €3.700 per jaar
Eigen auto, moto, step, …€500 per jaar

Alle vrijstellingen hierboven gelden op één gemeenschappelijke voorwaarde: je past in je aangifte het wettelijke kostenforfait toe. Bewijs je je werkelijke beroepskosten, dan vervalt de vrijstelling.

Met de eigen auto

De tussenkomst van je werkgever is fiscaal vrijgesteld tot €500 voor inkomstenjaar 2026 (aanslagjaar 2027). Voor inkomstenjaar 2025 was dat €490 — het bedrag werd dat jaar uitzonderlijk niet geïndexeerd. Alles boven die grens is belastbaar loon.

Eén plafond voor alles samen. De €500 geldt niet per vervoermiddel maar één keer per jaar voor álle "andere" vervoermiddelen samen. Wie ze al opgebruikt voor de wagen, kan ze niet nog eens inzetten voor een e-step of motorfiets. Ze mag wél gecumuleerd worden met de volledige vrijstelling voor openbaar vervoer en met die voor de fiets.

Hier zit meteen de grootste bron van verwarring op dit onderwerp: fiscaal en parafiscaal lopen niet gelijk. De RSZ aanvaardt een woon-werkvergoeding met de privéwagen bijdragevrij tot het volledige kilometerforfait, terwijl de fiscus maar €500 per jaar vrijstelt. Het meerdere is dus vrij van sociale bijdragen, maar wel belastbaar.

Met de fiets

De fietsvergoeding bedraagt in 2026 maximaal €0,37 per kilometer, vrijgesteld tot €3.700 per jaar. Sinds CAO nr. 164 is je werkgever in veel gevallen verplicht een fietsvergoeding te betalen. Alle details staan op onze pagina over de fietsvergoeding.

Met het openbaar vervoer

De tussenkomst in een trein-, tram-, bus- of metroabonnement is volledig vrijgesteld, zonder plafond, ook wanneer je werkgever het abonnement via de derdebetalersregeling rechtstreeks betaalt. Voor de trein is een tussenkomst bovendien verplicht op basis van CAO nr. 19/9, ongeacht de afstand.

Georganiseerd vervoer en carpoolen

Rijdt je werkgever met een busje, of is er een formeel georganiseerde carpool, dan is de vergoeding vrijgesteld tot de prijs van een treinabonnement eerste klas voor dezelfde afstand. Voorwaarde is wel dat de regels schriftelijk zijn vastgelegd, collectief of individueel, en dat de werkgever toeziet op het gebruik.

Bij carpoolen met een privéwagen wordt het opgesplitst: het gedeelde traject valt onder die ruimere vrijstelling, het stuk dat de bestuurder alleen rijdt onder de gewone €500, en de omweg om collega's op te pikken beschouwt de fiscus als een dienstverplaatsing.

Forfait of werkelijke kosten?

Dit is de keuze die alles bepaalt. Neem je het wettelijke kostenforfait, dan krijg je automatisch 30% van je beroepsinkomen als kostenaftrek, met een maximum van €6.070 voor inkomstenjaar 2026. Dat plafond bereik je al bij een beroepsinkomen van ongeveer €20.200. In ruil behoud je alle vrijstellingen hierboven.

Bewijs je je werkelijke beroepskosten, dan vervallen die vrijstellingen en wordt je volledige woon-werkvergoeding belastbaar. Daar staat tegenover dat je voor je woon-werkkilometers met de wagen een forfait van €0,15 per afgelegde kilometer mag inbrengen — heen én terug geteld. Bij 20 km enkel en 200 werkdagen is dat 20 × 2 × 200 × €0,15 = €1.200.

Goed nieuws voor wie twijfelt: je hoeft niet vooraf te kiezen. De FOD Financiën laat toe dat je je werkelijke kosten invult én de vrijstelling aanvraagt. Het berekeningsprogramma vergelijkt beide scenario's en past automatisch het voordeligste toe.

Het €0,15-forfait wordt afgebouwd. Vanaf inkomstenjaar 2026 verdwijnt dit forfait geleidelijk voor wagens met een verbrandingsmotor, terwijl het voor emissievrije wagens behouden blijft. Hoe de overgangsregeling precies uitwerkt hangt af van de aanschafdatum van je wagen en wordt in de vakliteratuur nog verschillend gelezen — laat je situatie nakijken door je boekhouder.

Het forfait voor verre verplaatsingen

Wie ver van het werk woont en het kostenforfait neemt, krijgt daarbovenop nog een extra aftrek, op basis van de enkele afstand tussen woonplaats en werkplek op 1 januari van het aanslagjaar:

Enkele afstandExtra aftrek
75 tot 100 km€75
101 tot 125 km€125
meer dan 125 km€175

Deze aftrek geldt ongeacht het vervoermiddel — ook met het openbaar vervoer of een bedrijfswagen.

Je belastingaangifte

De vergoedingen voor woon-werkverkeer staan in vak IV, rubriek A.7, die sinds aanslagjaar 2025 "vergoedingen en voordelen voor woon-werkverkeer" heet. Je vult twee dingen in: het totale ontvangen bedrag onder code 1254 (of 2254 voor je partner) en de gevraagde vrijstelling onder code 1255 (2255). Werkelijke beroepskosten gaan onder code 1258.

Let op als je van bron ouder dan een jaar leest: de vroegere aparte codes per vervoermiddel — 1254 voor openbaar vervoer, 1255 voor georganiseerd vervoer, 1256 voor ander vervoer — bestaan niet meer. Alles zit nu in één rubriek, fiets en bedrijfsfiets inbegrepen. Controleer de exacte nummering altijd op je eigen aangifteformulier, want die kan per aanslagjaar wijzigen.

Veelgemaakte fouten

  • De €500 per vervoermiddel toepassen. Het is één plafond per jaar voor alle andere vervoermiddelen samen.
  • Fiscaal en RSZ door elkaar halen. Bijdragevrij bij de RSZ betekent niet belastingvrij.
  • Denken dat de vrijstelling ook voor bedrijfsleiders geldt. Ze is voorbehouden aan werknemers — behalve voor de fiets en de bedrijfsfiets.
  • Woon-werk verwarren met een dienstverplaatsing. Denk aan de grens van 40 dagen.
  • Twee werkgevers, één plafond. Werk je bij twee werkgevers, dan ziet geen van beide het totaal. De fiscus stelt het overschot automatisch belastbaar bij het opmaken van je aanslagbiljet.
  • Het mobiliteitsbudget vergeten. Vanaf de maand waarin je een mobiliteitsbudget krijgt, vervallen de gewone tussenkomsten en worden extra vergoedingen belastbaar loon.

Wil je weten wat je concreet ontvangt? Reken het door met onze calculator, bekijk de actuele bedragen op kilometervergoeding 2026 of lees wat je werkgever verplicht is.

Bronnen: FOD Financiën — vergoedingen woon-werkverkeer, de administratieve instructies van de RSZ en CAO nr. 19/9 — Laatst bijgewerkt: 13 augustus 2026